Noodzaak
B1commonZipf 3.5
zelfstandig naamwoord, enkelvoud; werkwoord
de noodzaak
Substantiv/'notsak/enkelvoud
noodzaakmeervoud
noodzakennoodzaken
Verb/'notsakən; 'notsakə/infinitief
noodzakentegenwoordige tijd
noodzaaknoodzaaktnoodzakenverleden tijd
noodzaaktenoodzaaktentegenwoordig deelwoord
noodzakendnoodzakende
Erstelle ein kostenloses Konto, um den vollständigen Eintrag für dieses Wort zu generieren.
Kostenlos. Kein Passwort.