NEDERLANDS
🇬🇧

    Afzagen

    uncommonZipf 2.2

    werkwoord; werkwoord

    • afzien

      Verb/'ɑfsin/

      infinitief

      afzien

      tegenwoordige tijd

      zie afafzieziet afafzietzien afafzien

      verleden tijd

      zag afafzagzagen afafzagen

      tegenwoordig deelwoord

      afziendafziende
    • afzagen

      Verb/'ɑfsaɣən; 'ɑfsaɣə/

      infinitief

      afzagen

      tegenwoordige tijd

      zaag afafzaagzaagt afafzaagtzagen afafzagen

      verleden tijd

      zaagde afafzaagdezaagden afafzaagden

      tegenwoordig deelwoord

      afzagendafzagende

    Create a free account to generate the full entry for this word.

    Free. No password.

    Keep learning