NEDERLANDS
🇬🇧

    Bol

    A2top5000Zipf 4.0

    adjectief; zelfstandig naamwoord, enkelvoud; (doen) bol staan; rijden

    • bol

      Adjective/'bɔl/

      stellende trap

      bolbollebols

      vergrotende trap

      bollerbollerebollers

      overtreffende trap

      bolstbolste
    • de bol

      Common noun/'bɔl/

      enkelvoud

      bolbolletjebolleke

      meervoud

      bollenbolletjesbollekes
    • bollen

      Verb/'bɔlən; 'bɔlə/

      (doen) bol staan; rijden

      infinitief

      bollen

      tegenwoordige tijd

      bolboltbollen

      verleden tijd

      boldebolden

      tegenwoordig deelwoord

      bollendbollende
    • bollen

      Verb/'bɔlən; 'bɔlə/

      doodhameren; van de zaadbollen ontdoen

      infinitief

      bollen

      tegenwoordige tijd

      bolboltbollen

      verleden tijd

      boldebolden

      tegenwoordig deelwoord

      bollendbollende

    Create a free account to generate the full entry for this word.

    Free. No password.