Daggen
dedag
Common nounperiode van 24 uur
- periode van 24 uur, van middernacht tot middernachtDe tijd gaat snel als je plezier hebt.
- periode waarin het licht is, tussen zonsopgang en zonsondergangBij daglicht ziet alles er mooier uit.
- groet bij ontmoeting of afscheidIk groet mijn buren elke ochtend.
- een bepaalde datum of gebeurtenisMijn verjaardag is een belangrijke datum voor mij.
dedag
Common nountijd van licht
- periode van 24 uur, van middernacht tot middernachtDe tijd gaat snel voorbij.
- de tijd tussen zonsopgang en zonsondergangBij daglicht ziet alles er mooier uit.
- een bepaalde datum of een specifieke kalenderdagMijn verjaardag is op de vijftiende datum van mei.
- een tijdsperiode met een bepaalde activiteit of gebeurtenisDe gebeurtenis duurt de hele dag.
dag
Interjectiongroet bij ontmoeting
- gebruikt om iemand te begroeten bij ontmoetingGoedemorgen, hoe is het met jou?
- gebruikt om afscheid te nemenIk neem afscheid van mijn vrienden.
dag
Interjectiongroet bij afscheid
- gebruikt om iemand te begroeten bij ontmoetingHallo, leuk je te zien!
- gebruikt om afscheid te nemenIk zeg afscheid voordat ik naar mijn werk ga.
dedag
Common nounspeciale gebeurtenis
- periode van 24 uur, van middernacht tot middernachtDe tijd gaat snel als je plezier hebt.
- periode tussen zonsopgang en zonsondergangBij daglicht ziet alles er mooier uit.
- groet bij ontmoeting of afscheidIk geef mijn buurman altijd een groet als ik hem zie.
- een specifieke datum of gebeurtenisDe gebeurtenis was heel bijzonder.
dag
symbool voor dag
- gebruikt als groet bij ontmoeting of afscheidIk zeg altijd 'groet' als ik mijn buren tegenkom.
- tijdsduur van 24 uur, periode tussen middernacht en middernachtEen dag heeft vierentwintig uur.
- periode waarin het licht is, tussen zonsopgang en zonsondergangBij daglicht ziet alles er anders uit.
- specifieke datum of gebeurtenisDe datum van het examen is volgende week maandag.