Ik wil diëten om gezonder te leven.
ik
Ik dieet om af te vallen.
jij / je, u
Jij dieet goed, blijf zo doorgaan!
hij, zij / ze, het
Hij dieet vaak in de zomer.
wij / we, jullie
Wij diëten samen voor het kampioenschap.
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het
Ik dieette vorig jaar en viel af.
Wij dieetten vorig seizoen om fitter te worden.
Ik heb veel gedieet dit jaar.
Zij is diëtend bezig om gezonder te worden.
De diëtende mensen volgen een strikt regime.
Het is belangrijk dat hij diëte.
Dieet voor een maand en zie het resultaat!