NEDERLANDS
🇬🇧

    Doorschieten

    uncommonZipf 2.1

    met een schot doorboren; verder schieten; door schieten openen of stukmaken

    • doorschieten

      Verb/dor'sxitən; dor'sxitə/

      met een schot doorboren

      infinitief

      doorschieten

      tegenwoordige tijd

      doorschietdoorschieten

      verleden tijd

      doorschootdoorschoten

      tegenwoordig deelwoord

      doorschietenddoorschietende
    • doorschieten

      Verb/'dorsxitən; 'dorsxitə/

      verder schieten; door schieten openen of stukmaken

      infinitief

      doorschieten

      tegenwoordige tijd

      schiet doordoorschietschieten doordoorschieten

      verleden tijd

      schoot doordoorschootschoten doordoorschoten

      tegenwoordig deelwoord

      doorschietenddoorschietende

    Create a free account to generate the full entry for this word.

    Free. No password.

    Keep learning