NEDERLANDS
🇬🇧

    Gevaccineerd

    uncommonZipf 2.4

    werkwoord

    • vaccineren

      Verb/vɑksi'nerən; vɑksi'nerə/

      infinitief

      vaccineren

      tegenwoordige tijd

      vaccineervaccineertvaccineren

      verleden tijd

      vaccineerdevaccineerden

      tegenwoordig deelwoord

      vaccinerendvaccinerende

    Create a free account to generate the full entry for this word.

    Free. No password.

    Keep learning