NEDERLANDS
🇬🇧

    Haag

    uncommonZipf 2.5

    zelfstandig naamwoord, enkelvoud; werkwoord

    • de haag

      Common noun/'hax/

      enkelvoud

      haaghaagje

      meervoud

      hagenhaagjes
    • hagen

      Verb/'haɣən; 'haɣə/

      infinitief

      hagen

      tegenwoordige tijd

      haaghaagthagen

      verleden tijd

      haagdehaagden

      tegenwoordig deelwoord

      hagendhagende

    Create a free account to generate the full entry for this word.

    Free. No password.

    Keep learning