NEDERLANDS
🇬🇧

    Oplopen

    B1commonZipf 3.5

    zelfstandig naamwoord, enkelvoud; werkwoord

    • de oploop

      Common noun/'ɔplop/

      enkelvoud

      oploopoploopje

      meervoud

      oplopenoploopjes
    • oplopen

      Verb/'ɔplopən; 'ɔplopə/

      infinitief

      oplopen

      tegenwoordige tijd

      loop opoplooploopt opoplooptlopen opoplopen

      verleden tijd

      liep opopliepliepen opopliepen

      tegenwoordig deelwoord

      oplopendoplopende

    Create a free account to generate the full entry for this word.

    Free. No password.