Oprukkende
uncommonZipf 2.3
werkwoord; adjectief
oprukken
Verb/'ɔprʏkən; 'ɔprʏkə/infinitief
oprukkentegenwoordige tijd
ruk opoprukrukt opopruktrukken opoprukkenverleden tijd
rukte opoprukterukten opopruktentegenwoordig deelwoord
oprukkendoprukkendeoprukkend
Adjective/'ɔprʏkənt/stellende trap
oprukkendoprukkendeoprukkends
Create a free account to generate the full entry for this word.
Free. No password.