Paffen
uncommonZipf 2.4
zelfstandig naamwoord, enkelvoud; schieten; roken; opblazen
de paf
Common noun/'pɑf/enkelvoud
pafpafjemeervoud
paffenpafjespaffen
Verb/'pɑfən; 'pɑfə/schieten; roken
infinitief
paffentegenwoordige tijd
pafpaftpaffenverleden tijd
paftepaftentegenwoordig deelwoord
paffendpaffendepaffen
Verb/'pɑfən; 'pɑfə/opblazen
infinitief
paffentegenwoordige tijd
pafpaftpaffenverleden tijd
paftepaftentegenwoordig deelwoord
paffendpaffende
Create a free account to generate the full entry for this word.
Free. No password.