NEDERLANDS
🇬🇧

    Paft

    uncommonZipf 2.3

    schieten; roken; opblazen

    • paffen

      Verb/'pɑfən; 'pɑfə/

      schieten; roken

      infinitief

      paffen

      tegenwoordige tijd

      pafpaftpaffen

      verleden tijd

      paftepaften

      tegenwoordig deelwoord

      paffendpaffende
    • paffen

      Verb/'pɑfən; 'pɑfə/

      opblazen

      infinitief

      paffen

      tegenwoordige tijd

      pafpaftpaffen

      verleden tijd

      paftepaften

      tegenwoordig deelwoord

      paffendpaffende

    Create a free account to generate the full entry for this word.

    Free. No password.

    Keep learning