NEDERLANDS
↓↑Enter →
  • 11Plank(de)
    Common nounhouten vlakke strook
  • 22Planken
    Verbhouten planken maken
  • 33Planken
    Verbhard vallen of slaan

Browse

DictionaryVocabularyMy WordsRecent words
NEDERLANDS
↓↑Enter →
🇬🇧
  • 11Plank(de)
    Common nounhouten vlakke strook
  • 22Planken
    Verbhouten planken maken
  • 33Planken
    Verbhard vallen of slaan
  1. NEDERLANDS
  2. /Dictionary
  3. /Planke
DictionaryPlanke

Planke

  • deplank

    Common noun

    houten vlakke strook

    1. lang, plat stuk hout of ander materiaal om dingen op te leggen of te bewarenDe plank in de keuken is vol met potten en pannen.
    2. houten of metalen plank waarop je kunt staan of lopen, bijvoorbeeld bij werk of sportDe plank ligt in de schuur.
    3. platte, dunne snee van iets eetbaars, zoals kaas of vleesIk snijd een plank kaas voor op brood.
  • planken

    Verb

    houten planken maken

    1. op een plank of surfboard over water glijden terwijl je staatIk plank graag op het kanaal.
  • planken

    Verb

    hard vallen of slaan

    1. met hoge snelheid rijden, vooral in een auto of op een motorHij plankte door de stad om op tijd te komen.
    2. een podium of toneel bouwen met houten plankenDe vrijwilligers planken het podium voor het schoolfeest.

Related words

geplanktplankplankenplankendplankendeplankjeplankjesplanktplankteplankten

Keep learning

Most common Dutch wordsPractice