NEDERLANDS
🇬🇧

    Recapituleren

    uncommonZipf 2.4

    werkwoord

    • recapituleren

      Verb/rekɑpity'lerən; rekɑpity'lerə/

      infinitief

      recapituleren

      tegenwoordige tijd

      recapituleerrecapituleertrecapituleren

      verleden tijd

      recapituleerderecapituleerden

      tegenwoordig deelwoord

      recapitulerendrecapitulerende

    Create a free account to generate the full entry for this word.

    Free. No password.

    Keep learning