Rechtst
recht
Adjectivejuist of correct
- zonder bochten of krommingen, in een rechte lijnDe tafel staat recht in de kamer.
- eerlijk en volgens de regels, zonder bedrogHij is altijd eerlijk tegen zijn vrienden.
- rechtopstaand, niet scheef of gebogenDe boeken staan rechtop in de kast.
- direct, zonder omwegenZij spreekt altijd direct.
derechter
Common nounpersoon die recht spreekt
- iemand die rechtspreekt en beslissingen neemt in een rechtbankDe rechter luistert naar beide partijen.
- iemand die in een wedstrijd of competitie beslist over de regelsDe scheidsrechter fluit voor het begin van de wedstrijd.
- de kant aan de rechterhand (in richtingaanduidingen)Loop in de richting van de kerk.
derechter
Common nounpersoon in sport
- iemand die in een rechtbank beslist over juridische geschillen en overtredingen van de wetDe rechtspraak in Nederland is onafhankelijk.
- iemand die in een wedstrijd of competitie beslist over de regels en eventuele overtredingenDe scheidsrechter fluit voor het begin van de wedstrijd.
- de persoon die aan de rechterkant zit of staat, vanuit het perspectief van de spreker of een bepaalde richtingMijn broer zit aan mijn rechter positie tijdens het eten.
derechter
Common nounrechterkant lichaam
- iemand die rechtspreekt in een rechtbank; lid van de rechterlijke machtDe rechter leest het vonnis voor.
- scheidsrechter bij een sportwedstrijdDe scheidsrechter fluit voor het begin van de wedstrijd.
- iemand die aan de rechterkant van iets of iemand zit of staat, bijvoorbeeld in een auto of aan tafelMijn broer zit altijd aan de rechterkant in de auto.
rechter
Adjectivemeer juist of correct
- aan de kant van het lichaam die tegenovergesteld is aan waar het hart zit (van mensen of dieren)Mijn rechterhand doet pijn na het schrijven.
- aan de kant die rechts is wanneer je in een bepaalde richting kijktDe bakkerij is aan de rechterkant van het plein.
- betrekking hebbend op politieke partijen of ideeën die conservatief of behoudend zijnDe rechtse partij won de verkiezingen.