NEDERLANDS
🇬🇧

    Roadtrip

    uncommonZipf 2.4

    zelfstandig naamwoord, enkelvoud; werkwoord

    • de roadtrip

      Common noun/'rotrɪp/

      enkelvoud

      roadtrip

      meervoud

      roadtrips
    • roadtrippen

      Verb/'rotrɪpən; 'rotrɪpə/

      infinitief

      roadtrippen

      tegenwoordige tijd

      roadtriproadtriptroadtrippen

      verleden tijd

      roadtripteroadtripten

      tegenwoordig deelwoord

      roadtrippendroadtrippende

    Create a free account to generate the full entry for this word.

    Free. No password.

    Keep learning