NEDERLANDS
🇬🇧

    Samenroepen

    uncommonZipf 2.3

    werkwoord

    • samenroepen

      Verb/'samənrupən; 'samərupə/

      infinitief

      samenroepen

      tegenwoordige tijd

      roep samensamenroeproept samensamenroeptroepen samensamenroepen

      verleden tijd

      riep samensamenriepriepen samensamenriepen

      tegenwoordig deelwoord

      samenroependsamenroepende

    Create a free account to generate the full entry for this word.

    Free. No password.

    Keep learning