Thuisjes
thuis
Adverbeigen huis
- op de plaats waar iemand woont of zich op zijn gemak voeltMijn woonplaats is Amsterdam.
- bekend of vertrouwd met ietsIk ben vertrouwd met deze software.
- in de eigen omgeving, zonder verplaatsing (bij sportwedstrijden)Ons voetbalteam speelt vanavond op eigen terrein.
de/hetthuis
Common nouneigen omgeving
- de plaats waar iemand woont of zich vertrouwd voeltMijn woonplaats is Amsterdam.
- het gezin of de familie van iemandMijn gezin bestaat uit vier personen.
- de plek waar iemand zich op zijn gemak voelt, bijvoorbeeld in een sport of activiteitIk voel me vertrouwd in deze sportschool.