NEDERLANDS
🇬🇧

    Uitdokteren

    uncommonZipf 2.3

    werkwoord

    • uitdokteren

      Verb/'œydɔktərən; 'œydɔktərə/

      infinitief

      uitdokteren

      tegenwoordige tijd

      dokter uituitdokterdoktert uituitdoktertdokteren uituitdokteren

      verleden tijd

      dokterde uituitdokterdedokterden uituitdokterden

      tegenwoordig deelwoord

      uitdokterenduitdokterende

    Create a free account to generate the full entry for this word.

    Free. No password.

    Keep learning