NEDERLANDS
🇬🇧

    Valideren

    uncommonZipf 2.2

    werkwoord

    • valideren

      Verb/vali'derən; vali'derə/

      infinitief

      valideren

      tegenwoordige tijd

      valideervalideertvalideren

      verleden tijd

      valideerdevalideerden

      tegenwoordig deelwoord

      validerendvaliderende

    Create a free account to generate the full entry for this word.

    Free. No password.

    Keep learning