NEDERLANDS
🇬🇧

    Vastleggen

    B1commonZipf 3.5

    werkwoord

    • vastleggen

      Verb/'vɑstlɛɣən; 'vɑstlɛɣə/

      infinitief

      vastleggen

      tegenwoordige tijd

      leg vastvastleglegt vastvastlegtleggen vastvastleggen

      verleden tijd

      legde vastvastlegdelegden vastvastlegden

      tegenwoordig deelwoord

      vastleggendvastleggende

    Create a free account to generate the full entry for this word.

    Free. No password.