NEDERLANDS
🇬🇧

    Voorspelen

    uncommonZipf 2.3

    zelfstandig naamwoord, enkelvoud; werkwoord

    • het voorspel

      Common noun/'vorspɛl/

      /spellen-of-spelen

      enkelvoud

      voorspel

      meervoud

      voorspelen
    • voorspelen

      Verb/'vorspelən; 'vorspelə/

      infinitief

      voorspelen

      tegenwoordige tijd

      speel voorvoorspeelspeelt voorvoorspeeltspelen voorvoorspelen

      verleden tijd

      speelde voorvoorspeeldespeelden voorvoorspeelden

      tegenwoordig deelwoord

      voorspelendvoorspelende

    Create a free account to generate the full entry for this word.

    Free. No password.

    Keep learning