NEDERLANDS
🇬🇧

    Zigzag

    uncommonZipf 2.4

    bijwoord; zelfstandig naamwoord, enkelvoud; werkwoord

    • zigzag

      Adverb/'zɪxsɑx/

      ~

      zigzag
    • de zigzag

      Common noun/'zɪxsɑx/

      enkelvoud

      zigzag

      meervoud

      zigzags
    • zigzaggen

      Verb/'zɪxsɑɣən; 'zɪxsɑɣə/

      infinitief

      zigzaggen

      tegenwoordige tijd

      zigzagzigzagtzigzaggen

      verleden tijd

      zigzagdezigzagden

      tegenwoordig deelwoord

      zigzaggendzigzaggende

    Create a free account to generate the full entry for this word.

    Free. No password.

    Keep learning