NEDERLANDS
🇬🇧

    Zoom

    commonZipf 3.6

    rand; zoomlens; werkwoord

    • de zoom

      Common noun/'zom/

      rand

      enkelvoud

      zoomzoompje

      meervoud

      zomenzoompjes
    • de zoom

      Common noun/'zum/

      zoomlens

      enkelvoud

      zoomzoompje

      meervoud

      zoomszoompjes
    • zomen

      Verb/'zomən; 'zomə/

      infinitief

      zomen

      tegenwoordige tijd

      zoomzoomtzomen

      verleden tijd

      zoomdezoomden

      tegenwoordig deelwoord

      zomendzomende
    • zoomen

      Verb/'zumən; 'zumə/

      een zoomlens gebruiken

      infinitief

      zoomen

      tegenwoordige tijd

      zoomzoomtzoomen

      verleden tijd

      zoomdezoomden

      tegenwoordig deelwoord

      zoomendzoomende
    • zoomen

      Verb/'zumən; 'zumə/

      videobellen via Zoom

      In samenstellingen met en afleidingen van deze eigennaam zijn zowel de hoofdletter als de kleine letter mogelijk. Afgeleide werkwoorden (en de vervoegingen) krijgen altijd een kleine letter.

      infinitief

      zoomen

      tegenwoordige tijd

      zoomzoomtzoomen

      verleden tijd

      zoomdezoomden

      tegenwoordig deelwoord

      zoomendzoomende

    Create a free account to generate the full entry for this word.

    Free. No password.