NEDERLANDS
🇪🇸

    Afspelen

    B1commonZipf 3.3

    zelfstandig naamwoord, enkelvoud; werkwoord

    • het afspel

      Sustantivo/'ɑfspɛl/

      /spellen-of-spelen

      enkelvoud

      afspel

      meervoud

      afspelen
    • afspelen

      Verbo/'ɑfspelən; 'ɑfspelə/

      infinitief

      afspelen

      tegenwoordige tijd

      speel afafspeelspeelt afafspeeltspelen afafspelen

      verleden tijd

      speelde afafspeeldespeelden afafspeelden

      tegenwoordig deelwoord

      afspelendafspelende

    Crea una cuenta gratuita para generar la entrada completa de esta palabra.

    Gratis. Sin contrasena.

    Sigue aprendiendo