Eens
eens
Adverbioeen keer
- op een bepaald moment in het verleden of de toekomstIk heb eenmaal een olifant in het wild gezien.
- in zinnen gebruikt om een voorstel of uitnodiging vriendelijk te makenGa eens even zitten, dan praten we verder.
- in combinatie met 'niet' om aan te geven dat iets nooit gebeurtIk heb nooit sushi gegeten.
- gebruikt om aan te geven dat je het met iemand eens bentAkkoord, we gaan morgen naar het park.
eens
Adjetivoovereenstemmend
- één keer, op één momentDit is een eenmalige kans.
- ooit, op enig moment in het verleden of de toekomstHeb je ooit een olifant in het wild gezien?
- in zekere mate, enigszins (versterkend gebruikt)Ik ben enigszins moe na de lange wandeling.
- gebruikt om een voorstel of uitnodiging vriendelijk te formulerenZal ik je helpen met je huiswerk?
eens
Conjuncionals eenmaal
- geeft aan dat iets als voorwaarde of wens wordt uitgedrukt, vaak in combinatie met 'als' of 'maar'Je mag naar het feest, maar alleen onder de voorwaarde dat je om tien uur thuis bent.
- geeft aan dat iets als mogelijkheid of hypothese wordt genoemdEr is een mogelijkheid dat het morgen gaat sneeuwen.