Fik
commonZipf 3.8
zelfstandig naamwoord, enkelvoud; branden; geslachtsgemeenschap hebben
de fik
Sustantivo/'fɪk/enkelvoud
fikfikjefikkiemeervoud
fikjesfikkiesfikken
Verbo/'fɪkən; 'fɪkə/branden
infinitief
fikkentegenwoordige tijd
fikfiktfikkenverleden tijd
fiktefiktentegenwoordig deelwoord
fikkendfikkendefikken
Verbo/'fɪkən; 'fɪkə/geslachtsgemeenschap hebben
infinitief
fikkentegenwoordige tijd
fikfiktfikkenverleden tijd
fiktefiktentegenwoordig deelwoord
fikkendfikkende
Crea una cuenta gratuita para generar la entrada completa de esta palabra.
Gratis. Sin contrasena.