Geschaakt
schaken
Verbobordspel met stukken
- het bordspel schaak spelen tegen een tegenstanderIk schaak graag met mijn vader.
hetschaak
Sustantivospel met koning en pionnen
- bordspel voor twee spelers met stukken zoals koning en pionIk speel graag schaak in mijn vrije tijd.
- situatie waarin de koning in een schaakspel bedreigd wordtIk geef schaak met mijn loper.
schaken
Verboiemand ontvoeren
- iemand tegen zijn wil meenemen, vaak om losgeld te vragenDe ontvoerders schaken het kind uit de tuin.
schaken
Verboin schaakpositie brengen
- het bordspel schaak spelen tegen een tegenstanderIk schaak graag in het park.
- een stuk in het schaakspel zodanig zetten dat de koning bedreigd wordtHij schaakt de koning met zijn paard.
schaak
Adverbioin schaakpositie
- uitroep bij het schaakspel als de koning bedreigd wordtSchaak! Je moet nu iets doen.