Haastte
haasten
Verbosnel doen
- zich snel bewegen of iets snel doen omdat er weinig tijd isOnder tijdsdruk maak ik vaak fouten.
- zorgen dat iets sneller gebeurt of klaar isIk versnel mijn werk om op tijd klaar te zijn.
- zich overhaast of ondoordacht gedragenHij handelt altijd overhaast.
dehaast
Sustantivogebrek aan tijd
- toestand van grote spoed of dringendheidDeze zaak vereist spoed.
- neiging om iets snel te doen, soms zonder voldoende zorgDoor overhaasting maakte hij een fout in zijn rapport.
haast
Adverbiobijna
- bijna, op een klein verschil naIk ben bijna klaar met eten.
- in grote mate, erg (informeel)Ik ben erg moe na het werk.
hazen
Verborennen als haas
- hard en onvoorzichtig rijden, vooral met een voertuigHij rijdt altijd te hard op deze weg.
- zich snel en ongeduldig voortbewegen, vaak zonder rekening te houden met anderenHij beweegt zich snel door de menigte.
- overhaast handelen, zonder goed na te denkenHij nam een overhaaste beslissing en had er later spijt van.