Naderhand
naderhand
Adverbiolater; daarna
tijd
Op een later tijdstip; iets gebeurt of wordt gezegd daarna.
We hadden eerst vergaderd en naderhand gingen we iets drinken.
naderhand bleeknaderhand verteldenaderhand beslotennaderhand contact opnemen
later; daarna
tijd
Op een later tijdstip; iets gebeurt of wordt gezegd daarna.
We hadden eerst vergaderd en naderhand gingen we iets drinken.