Opschiete
opschieten
Verbosneller bewegen
- zich haasten, vlug doen of voortmakenIk haast me naar de bushalte.
- vooruitgang boeken, vorderingen makenIk maak goede vooruitgang met mijn studie.
- goed kunnen opschieten met iemand, een goede relatie hebbenMijn zus en ik hebben een goede relatie.
- groeien, groter of langer worden (vooral bij kinderen of planten)Mijn dochter groeit snel.
opschieten
Verbovooruitgang maken
- vooruitgang maken, vorderingen makenDe voortgang van het project is indrukwekkend.
- zich haasten, snel bewegenIk haast me naar de bushalte.
- goed kunnen opschieten met iemand, een goede relatie hebbenIk heb een goede relatie met mijn buren.
- groeien, groter of langer worden (vooral bij planten of kinderen)De bloem groeit snel in de lente.
opschieten
Verbogoed kunnen vinden
- vooruitgang boeken, vorderingen makenDe voortgang van het project is goed.
- zich haasten, snel bewegenIk haast me naar de bushalte.
- goed met iemand kunnen opschieten, een goede relatie hebbenIk heb een goede relatie met mijn buren.
- groeien, zich ontwikkelen (vooral bij planten of kinderen)De bloemen groeien snel in de lente.