NEDERLANDS
🇪🇸

    Opschik

    uncommonZipf 1.8

    zelfstandig naamwoord, enkelvoud; werkwoord

    • de opschik

      Sustantivo/'ɔpsxɪk/

      enkelvoud

      opschikopschikje

      meervoud

      opschikjes
    • opschikken

      Verbo/'ɔpsxɪkən; 'ɔpsxɪkə/

      infinitief

      opschikken

      tegenwoordige tijd

      schik opopschikschikt opopschiktschikken opopschikken

      verleden tijd

      schikte opopschikteschikten opopschikten

      tegenwoordig deelwoord

      opschikkendopschikkende

    Crea una cuenta gratuita para generar la entrada completa de esta palabra.

    Gratis. Sin contrasena.

    Sigue aprendiendo