Rommel
derommel
Sustantivotroep; spullen zonder veel waarde
spullen/troep
Spullen die overbodig zijn of door elkaar liggen; rommel in huis of op straat.
Ik moet de rommel in mijn kamer opruimen.
slechte kwaliteit
Spullen of goederen die goedkoop of van slechte kwaliteit zijn; weinig waard.
Die spullen zijn rommel; de rommel gaat snel kapot.
rommel opruimenoude rommelrommelmarktde rommeleen rommeltjerommelen
Verboprutsen; rommel maken; ook: (maag) rammelen
prutsen
Onhandig of slordig met iets bezig zijn; iets veranderen zonder het goed te doen.
Hij rommelt altijd aan zijn fiets voordat hij naar zijn werk gaat.
maaggeluid
Een rammelend of knorrend geluid in de buik, vaak omdat je honger hebt of je maag werkt.
Mijn buik rommelt als ik nog niets heb gegeten.
onrust
Er is onrust of er gaat iets mis binnen een groep of organisatie.
Het rommelt op school sinds er nieuwe regels zijn.
aan iets rommelenin de keuken rommelenaan de computer rommelenmijn buik rommelthet rommelt op (school/werk)