Spits
spits
Adjetivoscherp van vorm
- scherp toelopend aan het uiteindeDe kerstboom heeft een spits bovenstuk.
- scherp of direct in uitspraak of gedragDe leraar was spits in zijn opmerkingen over de fouten.
despits
Sustantivotoppunt van gebouw
- hond met een smalle snuit en spitse oren, zoals een keeshondDe spits is een slimme hond.
despits
Sustantivodrukste verkeerstijd
- scherpe of puntige bovenkant van een voorwerp of gebouwDe spits van deze berg is bedekt met sneeuw.
- periode waarin het verkeer het drukst isDe spits begint om acht uur.
- aanvallende speler in een teamsport, vooral voetbalDe spits rent snel naar het doel.
spitsen
Verboscherp maken of worden
- iets puntig maken door er een deel af te snijden of te slijpenIk spits mijn potlood voor de tekenles.
- je aandacht volledig richten op iets wat gaat gebeurenIk spits mijn aandacht op de aankomende trein.