NEDERLANDS
🇳🇱

    Flaneren

    B1uncommonZipf 2.1

    werkwoord

    • flaneren

      Werkwoord/fla'nerən; fla'nerə/

      infinitief

      flaneren

      tegenwoordige tijd

      flaneerflaneertflaneren

      verleden tijd

      flaneerdeflaneerden

      tegenwoordig deelwoord

      flanerendflanerende

    Maak een gratis account om de volledige leerkaart voor dit woord te genereren.

    Gratis. Geen wachtwoord.