NEDERLANDS
🇳🇱

    Noodzaak

    B1commonZipf 3.5

    zelfstandig naamwoord, enkelvoud; werkwoord

    • de noodzaak

      Zelfstandig naamwoord/'notsak/

      enkelvoud

      noodzaak

      meervoud

      noodzaken
    • noodzaken

      Werkwoord/'notsakən; 'notsakə/

      infinitief

      noodzaken

      tegenwoordige tijd

      noodzaaknoodzaaktnoodzaken

      verleden tijd

      noodzaaktenoodzaakten

      tegenwoordig deelwoord

      noodzakendnoodzakende

    Maak een gratis account om de volledige leerkaart voor dit woord te genereren.

    Gratis. Geen wachtwoord.