Spruit
A2uncommonZipf 2.7
zelfstandig naamwoord, enkelvoud; werkwoord
de spruit
Zelfstandig naamwoord/'sprœyt/enkelvoud
spruitspruitjemeervoud
spruitenspruitjesspruiten
Werkwoord/'sprœytən; 'sprœytə/infinitief
spruitentegenwoordige tijd
spruitspruitenverleden tijd
sprootsprotentegenwoordig deelwoord
spruitendspruitende
Maak een gratis account om de volledige leerkaart voor dit woord te genereren.
Gratis. Geen wachtwoord.