NEDERLANDS
🇳🇱

    Spurt

    B1uncommonZipf 2.0

    zelfstandig naamwoord, enkelvoud; werkwoord

    • de spurt

      Zelfstandig naamwoord/'spʏrt/

      enkelvoud

      spurtspurtje

      meervoud

      spurtenspurtsspurtjes
    • spurten

      Werkwoord/'spʏrtən; 'spʏrtə/

      tegenwoordige tijd

      spurtspurten

      verleden tijd

      spurttespurtten

      tegenwoordig deelwoord

      spurtendspurtende

      voltooid deelwoord

      gespurt

    Maak een gratis account om de volledige leerkaart voor dit woord te genereren.

    Gratis. Geen wachtwoord.