Hande
dehand
Isimlichamelijk deel
- een van de twee extremiteiten aan het einde van de arm, gebruikt voor grijpen en vasthoudenHij reikt zijn extremiteit naar de bal.
- de hand als een manier om contact of interactie aan te geven, bijvoorbeeld bij begroetingen of het geven van ietsZij gaf hem een ferme handdruk bij het ontmoeten.
- maat voor een eenheid, vooral in verband met de ruimte, zoals 'een handvol'Ik heb een maat van rijst gekookt voor het diner.
- de hand als symbool voor representatie, zoals in logos of tekeningenHet symbool van de hand is herkenbaar in veel culturele contexten.
dehanden
Fiilmeervoud van hand
- iets stevig vasthouden of in de handen hebbenIk houd de tas stevig vast.
- uitdrukking geven, zoals bij handelingen of gebarenHij maakte een gebaar om zijn punt te verduidelijken.
- het werk of de opdrachten uitvoerenDe werkzaamheden zijn vandaag begonnen.
- een uitdrukking van bijstand of steun biedenJe kunt bijstand bieden aan de mensen in nood.