Lipt
delip
Isimrand van de mond
- elk van de twee beweeglijke randen rond de mondDe lip van het kind trilde van de kou.
- rand van een opening, bijvoorbeeld van een glas of wondDe lip van het glas is gebroken.
delip
Isimrand van een voorwerp
- elk van de twee beweeglijke randen rond de mondMijn lippen zijn droog in de winter.
- rand van een opening, zoals bij een wond of vatDe lip van het glas is gebroken.
- rand van de hole bij golf, waar de bal in moetDe lip van de hole is erg smal.
lippen
Fiilzachtjes tegen elkaar bewegen
- een boek of tekst snel en oppervlakkig doorbladerenIk lip snel het tijdschrift door.
lippen
Fiiluitspreken zonder geluid
- woorden vormen met je mond zonder geluid te makenZij lipte de woorden van het liedje.
- een liedje meezingen door alleen de lippen te bewegenHij lipte het refrein van het liedje.