Zoenen
zoenen
Fiilkus geven
- met de lippen aanraken als teken van liefde of genegenheidZij zoenen elkaar elke ochtend.
- met de lippen aanraken als begroeting of afscheidIk zoen mijn moeder altijd gedag.
dezoen
Isimkus geven
- kus die je met je lippen geeft als begroeting of teken van genegenheidHij gaf zijn vriendin een zoen.
- liefdeskus tussen twee geliefdenZe gaf hem een zoen op zijn wang.