Voorbij
voorbij
Прикметникuit het verleden
- van een periode die al geweest isDe voorbije week heb ik veel overgewerkt.
voorbij
Прийменникlangs iets heen
- langs een plaats heen, verder dan een bepaald puntWe reden voorbij het meer.
voorbij
Прислівникafgelopen of langs
- afgelopen, ten einde, niet meer aan de gangDe zomer is voorbij.
- langs iets of iemand heen bewegend, zonder te stoppenDe auto reed voorbij zonder te stoppen.