Enkel
de/hetenkel
Substantiveen enkel geval
- het deel van het been tussen de voet en het beenDe enkel is een belangrijk lichaamsdeel voor het lopen.
- een enkelvoudig of beperkt aantalEr zijn maar een paar boeken op de plank.
- een subtiele of verkleinende vorm van ietsEen verkleinwoord maakt een woord schattiger.
deenkel
Substantivde enkelvoudige vorm
- het deel van het lichaam tussen de voet en het onderbeen
- een enkelvoudige of enkele hoeveelheidDe hoeveelheid bloemen in de vaas is perfect.
- diminutief van enkel; een klein exemplaar van hetgeen genoemd wordtHet diminutief van het woord 'boom' is 'boompje'.
enkel
Adjektivenkel als bijvoeglijk naamwoord
- eenzijdig, alleen, zonder meer dan éénHij had eenzijdig besloten om naar de film te gaan.
- beperkt tot weinig, niet meer dan datDe toegang is beperkt tot genodigden.
- enkel kan ook een referentie zijn aan de enkel (het deel van het been)De dokter kijkt naar zijn enkel.
enkel
Pronomenonbepaald voornaamwoord
- een enkele; slechts één van ietsIk heb weinig tijd om te studeren.
- alleen; uitsluitendHij eet uitsluitend groente.
- niet meer dan; slechtsSlechts één persoon heeft op de vergadering gestemd.
enkelen
Verbmeerdere enigen
- een paar of enkele mensen of dingenDe groep vrienden danst samen.
- een onbepaalde kleine hoeveelheidEr is een onbepaalde hoeveelheid melk in de koelkast.
- enkele als synoniem voor 'enkele personen'Enkele kinderen spelen in het park.