NEDERLANDS
🇩🇪

    Grossier

    uncommonZipf 2.1

    zelfstandig naamwoord, enkelvoud; werkwoord

    • de grossier

      Substantiv/ɣrɔ'sir/

      enkelvoud

      grossier

      meervoud

      grossiers
    • grossieren

      Verb/ɣrɔ'sirən; ɣrɔ'sirə/

      infinitief

      grossieren

      tegenwoordige tijd

      grossiergrossiertgrossieren

      verleden tijd

      grossierdegrossierden

      tegenwoordig deelwoord

      grossierendgrossierende

    Erstelle ein kostenloses Konto, um den vollständigen Eintrag für dieses Wort zu generieren.

    Kostenlos. Kein Passwort.

    Weiterlernen