NEDERLANDS
🇩🇪

    Paffen

    uncommonZipf 2.4

    zelfstandig naamwoord, enkelvoud; schieten; roken; opblazen

    • de paf

      Substantiv/'pɑf/

      enkelvoud

      pafpafje

      meervoud

      paffenpafjes
    • paffen

      Verb/'pɑfən; 'pɑfə/

      schieten; roken

      infinitief

      paffen

      tegenwoordige tijd

      pafpaftpaffen

      verleden tijd

      paftepaften

      tegenwoordig deelwoord

      paffendpaffende
    • paffen

      Verb/'pɑfən; 'pɑfə/

      opblazen

      infinitief

      paffen

      tegenwoordige tijd

      pafpaftpaffen

      verleden tijd

      paftepaften

      tegenwoordig deelwoord

      paffendpaffende

    Erstelle ein kostenloses Konto, um den vollständigen Eintrag für dieses Wort zu generieren.

    Kostenlos. Kein Passwort.

    Weiterlernen