Zaterdag
zaterdag
Adverbop zaterdag
- op de (eerstkomende of afgelopen) zaterdag; als tijdsbepaling zonder voorzetselZaterdag kom ik langs om de boeken op te halen.
dezaterdag
Substantivdag van de week
- de zesde dag van de week, tussen vrijdag en zondagElke zaterdag gaan we samen ontbijten bij mijn moeder.