Ik wil aanaarden als een goede manier om te communiceren.
De aanaardend activiteiten zijn vandaag gepland.
De aanaardende geluiden waren moeilijk te negeren.
Hij heeft de problemen goed aangeaard.
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie,
Ik aarda aan de juiste plaats wanneer ik signalen gebruik.
Aard aan elk detail om het probleem op te lossen!
ik, jij / je, u, hij, zij / ze
Gisteren aanaardde ik naar de vergadering.
wij / we, jullie, zij / ze
Zij aanaardden met elkaar over de plannen.