Ik leer hoe ik moet aanduwen.
ik
Ik duw de fiets naar boven.
jij / je
Jij duwt de deur open.
u
U duwt de knop in.
hij
Hij duwt de kar voort.
zij / ze
Zij duwt de bal naar het doel.
het
Het kindje duwt zijn speelgoed.
wij / we
Wij duwen de tafel naar de muur.
jullie
Jullie duwen allemaal samen.
Ik duwde gisteren de wagen naar binnen.
Jij duwde de tent op een nieuwe plek.
U duwde de kinderen met liefde aan.
Hij duwde erg enthousiast.
Zij duwde de bus verder.
Het kindje duwde zijn blokken weg.
Wij duwden de kanos met zijn allen.
Jullie duwden de stoel naar voren.
Zij duwden met kracht.
Wij hebben de deur aangeduwd.
De aanduwende kinderen hielpen de ouderen.
De aanduwende rijder maakte het verschil.
Het zou goed zijn als jij aanduwt.
Als jij het maar duwe aan!
Duw aan als je verder wilt!
Duurt dat niet te lang? Duwt aan!