Infinitief Ik leer hoe ik moet aanduwen.
Tegenwoordige tijd ik
Ik duw de fiets naar boven.
jij / je
u
hij
zij / ze
Zij duwt de bal naar het doel.
het
Het kindje duwt zijn speelgoed.
wij / we
Wij duwen de tafel naar de muur.
jullie
Jullie duwen allemaal samen.
Verleden tijd ik
Ik duwde gisteren de wagen naar binnen.
jij / je
Jij duwde de tent op een nieuwe plek.
u
U duwde de kinderen met liefde aan.
hij
Hij duwde erg enthousiast.
zij / ze
het
Het kindje duwde zijn blokken weg.
wij / we
Wij duwden de kanos met zijn allen.
jullie
Jullie duwden de stoel naar voren.
zij / ze
Voltooid deelwoord Wij hebben de deur aangeduwd.
Tegenwoordig deelwoord De aanduwende kinderen hielpen de ouderen.
De aanduwende rijder maakte het verschil.
Aanvoegende wijs Het zou goed zijn als jij aanduwt.
Als jij het maar duwe aan!
Gebiedende wijs Duw aan als je verder wilt!
Duurt dat niet te lang? Duwt aan!
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.