Aankleden
aankleden
Verbkleren aandoen; iemand of iets kleden; ook: versieren
zich aankleden
Kleren aantrekken bij jezelf. Je maakt jezelf klaar om naar buiten te gaan.
Ik ga me aankleden voordat ik naar school ga.
iemand aankleden
Kleren aandoen bij een ander, bijvoorbeeld bij een baby of een ziek persoon.
Ze moet de baby aankleden voordat ze naar de kinderwagen gaat.
aankleden (versieren)
Iets mooier of feestelijker maken, bijvoorbeeld een kamer of tafel versieren.
We hebben het huis aangekleed voor het verjaardagsfeest.
zich aankledeniemand aankledensnel aankledenaankleden voor (een feest)de baby aankleden