Woordenlijst

The most common Dutch words, ranked by how often they appear in everyday language. Based on the SUBTLEX-NL corpus — 44 million words of Dutch film and television subtitles.

1–50 of 4783 words

Top 100 — the building blocks of Dutch
1vann.afgeleide betekenis
2inchemisch symbool voor Indium
3un.oude titel
4naarconj.contrast comparison
5omadv.rondom iets heen
6mijnv.grondstoffen winnen
7kann.vermogen of capaciteit
8hemn.mannetjes bijen
9heeftn.bezit of eigendom
10overn.onderwerp of topic
11komv.bewegen naar plaats
12daarconj.verbindende zin
13bijn.bijwoordelijke vorm
14julliepron.jullie als persoon
15onspron.eerste persoon meervoud
16gaatn.fysieke toestand
17nouconj.als voegwoord
18doorn.opening in muur
Top 500 — essential everyday words
19evenadj.zodra of kort
20eensconj.als eenmaal
21iemandn.belangrijk persoon
22veeln.grote hoeveelheid
23kijkv.zien met ogen
24tegenn.het tegen zijn
25netn.draad of net
26tijdn.een periode van bestaan
27zekerv.bevestigen of garanderen
28wachtn.wachttijd periode
29niksv.niets doen
30anderspron.een ander iets
31zijn.essentie zijn
32interj.uitroep aandacht
33zoalsconj.vergelijking uitdrukken
34wilden.de wens of behoefte
35spijtn.gevoel van spijt
36vastadj.zeker zijn
37staatv.rechtop zijn
38éénnum.één getal
39wistv.toeschrijven aan iets
40godn.een specifieke god
41steedsadj.in toenemende mate
42ooitadv.op enig moment
43o
44zorgenv.iets waar je om geeft
45heenadv.richting aangeven
46geloofn.vertrouwen in persoon
47geweldigadj.fantastisch of geweldig
48wereldn.gebied ervaring
49zelfsadv.ook of bovendien
50hoopv.opstapelen